
Over provocatie, publieke verontwaardiging en wat we collectief blijven missen
Soms kijk ik naar maatschappelijke discussies en denk ik:
We zijn massaal bezig met de muis.
Terwijl de olifant dwars door de kamer loopt.
Een recente post van Tim Hofman triggerde dat gevoel opnieuw bij mij. Niet eens zozeer door de inhoud zelf, maar vooral door het mechanisme erachter. De manier waarop provocatie tegenwoordig werkt. Hoe iets bewust scherp, emotioneel of confronterend wordt neergezet zodat het maximale reactie oproept.
En eerlijk is eerlijk:
het werkt.
Mensen reageren.
Mensen delen.
Mensen kiezen direct een kant.
Maar ondertussen gebeurt er ook iets anders.
De aandacht verschuift.
We raken collectief gefixeerd op het incident, de uitspraak, de verontwaardiging, de emotie of de persoon. Terwijl de diepere laag — de echte structurele problemen — nauwelijks nog besproken worden.
Dat zie je overal.
In de politiek.
Op social media.
In talkshows.
Op LinkedIn.
Zelfs in persoonlijke relaties.
We vergroten de muis.
En vergeten de olifant.
De economie van verontwaardiging
Provocatie is tegenwoordig bijna een verdienmodel geworden.
Hoe harder iets schuurt, hoe groter het bereik.
Hoe extremer de tegenstelling, hoe meer interactie.
Hoe emotioneler de boodschap, hoe langer mensen blijven hangen.
Het algoritme beloont onrust.
Rust verkoopt niet.
Nuance verkoopt niet.
Verbinding verkoopt niet.
Conflict wel.
En dat zorgt ervoor dat maatschappelijke discussies steeds vaker veranderen in emotionele energievelden waarin mensen vooral reageren vanuit frustratie, angst, boosheid of identiteit.
Maar juist daar gaat het mis.
Want wanneer emotie de volledige ruimte inneemt, verdwijnt het vermogen om werkelijk naar oorzaken te kijken.
Symptoombestrijding als collectieve afleiding
Een voorbeeld daarvan zie je ook terug in discussies rondom onderwijs en thuisonderwijs.
Er ontstaat dan veel maatschappelijke en politieke aandacht voor een relatief kleine groep vrijwillige thuisonderwijzers — ouders die bewust kiezen om hun kinderen buiten het reguliere systeem onderwijs te geven, vaak vanuit overtuiging of omdat zij denken dat dit beter aansluit bij hun kind.
Maar tegelijkertijd is er een veel grotere groep kinderen die noodgedwongen thuiszit.
Tienduizenden kinderen die vastlopen binnen het systeem.
Niet omdat ouders ‘tegen onderwijs’ zouden zijn, maar juist omdat ouders proberen hun kind veilig, gezond of überhaupt nog enigszins stabiel te houden.
Ouders die vaak jarenlang vechten voor passende begeleiding, maatwerk, veiligheid of begrip.
En precies daar zie ik opnieuw die tegenstelling tussen de muis en de olifant.
De maatschappelijke verontwaardiging richt zich dan sterk op een relatief kleine zichtbare groep, terwijl de veel grotere structurele problematiek — kinderen die uitvallen, vastlopen of nergens echt passend terecht kunnen — onvoldoende aandacht krijgt.
Niet omdat die problematiek klein is.
Maar juist omdat die complex is.
Want dan gaat het ineens over:
- de druk op het onderwijssysteem
- passend onderwijs
- mentale gezondheid
- overprikkeling
- bureaucratie
- personeelstekorten
- groepsdynamiek
- veiligheid
- vertrouwen tussen ouders en instanties
- en de vraag of ieder kind werkelijk nog gezien wordt binnen het systeem
Dat zijn ingewikkelde gesprekken.
Dat zijn de olifanten.
En juist daardoor ontstaat het risico dat we blijven discussiëren over uitzonderingen, terwijl de structurele nood onder een veel grotere groep kinderen onvoldoende wordt opgelost.
Symptoombestrijding als collectieve afleiding
Wat mij steeds vaker opvalt:
We lossen nauwelijks nog oorzaken op.
We reageren vooral op symptomen.
Een incident.
Een uitspraak.
Een filmpje.
Een rel.
Een persoon.
Maar onder die oppervlakte liggen vaak veel grotere thema’s:
- onzekerheid
- verlies van vertrouwen
- gebrek aan verbinding
- prestatiedruk
- eenzaamheid
- ongezonde groepsdynamiek
- economische stress
- identiteitscrises
- emotionele ontregeling
- gebrek aan veiligheid
Dat zijn de olifanten.
Maar die zijn ingewikkeld.
Die vragen reflectie.
Die vragen verantwoordelijkheid.
Die vragen nuance.
En nuance past slecht in een algoritme.
De verslaving aan kampen
Soms moet ik daarbij denken aan het beeld van twaalf mensen die in een cirkel lopen.
Allemaal binnen dezelfde lijnen.
Binnen dezelfde afspraken.
Binnen dezelfde logica.
En dan is er één iemand — de dertiende — die buiten die cirkel loopt.
Vrijwel automatisch ontstaat dan de neiging om naar die dertiende te kijken.
Waarom loopt die daar?
Waarom doet die anders?
Waarom past die zich niet aan?
Maar veel minder vaak stellen we de vraag:
Is de cirkel zelf eigenlijk nog wel gezond?
Want soms is degene buiten de cirkel niet het probleem.
Soms maakt diegene alleen zichtbaar wat binnen de groep al langer wringt.
Dat betekent niet automatisch dat iedereen buiten de norm gelijk heeft.
Maar wel dat afwijkend gedrag vaak iets blootlegt waar collectief liever niet naar gekeken wordt.
En precies daar ontstaat opnieuw het spanningsveld tussen de muis en de olifant.
We kunnen eindeloos discussiëren over degene die buiten de cirkel loopt.
Maar daarmee hoeven we niet naar de structuur van de cirkel zelf te kijken.
Niet naar de cultuur.
Niet naar de onderliggende spanning.
Niet naar de vraag waarom steeds meer mensen vastlopen binnen hetzelfde systeem.
Dat zie je terug in organisaties.
In families.
In onderwijs.
In de zorg.
En steeds vaker in de samenleving als geheel.
De focus komt te liggen op degene die zichtbaar afwijkt.
Terwijl de diepere vraag misschien zou moeten zijn:
Waarom lukt het zoveel mensen niet meer om gezond mee te draaien binnen het bestaande patroon?
Wat provocatie ook doet:
het dwingt mensen bijna automatisch in kampen.
Ben je vóór?
Of ben je tegen?
Maar de werkelijkheid is zelden zo zwart-wit.
Je kunt kritiek hebben op systemen zonder mensen af te branden.
Je kunt maatschappelijke problemen erkennen zonder constant olie op het vuur te gooien.
Je kunt opkomen voor kwetsbaren zonder tegelijkertijd nieuwe polarisatie te creëren.
Alleen lijken we dat vermogen steeds meer kwijt te raken.
Misschien omdat rustiger denken minder dopamine geeft.
Misschien omdat boosheid sneller verbindt.
Misschien omdat veel mensen zelf overprikkeld zijn geraakt.
De diepere vraag
De vraag die mij steeds vaker bezighoudt is niet:
“Wie heeft gelijk?”
Maar:
“Welke energie versterken we hiermee collectief?”
Want energie werkt door.
Als we continu leven vanuit strijd, provocatie en verontwaardiging, dan wordt dat uiteindelijk de sfeer waarin we met elkaar gaan samenleven.
Dan gaan mensen elkaar steeds minder echt horen.
Dan ontstaan er steeds meer vijandbeelden.
Dan raakt nuance verdacht.
Dan wordt luisteren zwakte.
En precies daar verliezen we iets essentieels.
Gezondheid: symptoombestrijding als verdienmodel?
Diezelfde dynamiek zie je ook terug binnen gezondheid en leefstijl.
Ook daar richten we ons vaak eerst op het bestrijden van symptomen, terwijl de diepere oorzaken veel moeilijker bespreekbaar zijn.
We zoeken naar:
- snelle oplossingen
- medicatie
- korte interventies
- tijdelijke verlichting
- externe oorzaken
Maar veel minder naar vragen als:
- Hoe leven we eigenlijk?
- Hoeveel stress ervaren mensen structureel?
- Wat doet continue mentale onrust met het lichaam?
- Hoe afhankelijk zijn we geworden van gemak, suiker en prikkels?
- Hoeveel verantwoordelijkheid nemen we nog echt voor onze eigen gezondheid?
- En hoeveel ruimte is er nog voor preventie in plaats van reparatie?
Dat zijn confronterende vragen.
Want zodra het over oorzaken gaat, raakt het ook aan gedrag.
Aan patronen.
Aan keuzes.
Aan systemen.
Aan verdienmodellen.
En juist daarom blijft de focus vaak hangen op symptoombestrijding.
Niet omdat mensen niet beter willen worden.
Maar omdat structurele verandering veel moeilijker is dan tijdelijke verlichting.
Misschien is dat wel één van de grootste parallellen in onze samenleving:
Of het nu gaat over onderwijs, gezondheid, polarisatie of maatschappelijke onrust…
we kijken vaak liever naar het zichtbare symptoom dan naar de onderliggende oorzaak.
Want oorzaken vragen zelfreflectie.
En zelfreflectie vraagt verantwoordelijkheid.
De cijfers achter de muis en de olifant
Wat deze discussie misschien nog confronterender maakt, zijn de verhoudingen.
De maatschappelijke en politieke focus richt zich regelmatig sterk op ongeveer 2.500 vrijwillig thuisonderwezen kinderen.
Maar ondertussen laten rapporten over onderwijsuitval en thuiszitters veel grotere aantallen zien.
In het rapport Thuiszitters Tellen worden onder andere deze aantallen genoemd:
- 2.797 officieel geregistreerde langdurige thuiszitters
- ruim 90.000 thuiszitters en uitgevallen jongeren volgens bredere schattingen
- en zelfs een conservatieve schatting van 279.700 kinderen zonder volwaardig onderwijs
Dat laatste getal is bijna niet te bevatten.
Wanneer je die cijfers naast elkaar legt, ontstaat een ongemakkelijke vraag:
Waarom gaat zoveel maatschappelijke energie naar een relatief kleine zichtbare groep, terwijl de structurele problematiek mogelijk honderdduizenden kinderen raakt?
Rekenkundig betekent dit zelfs dat de discussie rondom thuisonderwijs zich richt op minder dan 1% van het grotere probleem.
Dat betekent natuurlijk niet dat vrijwillig thuisonderwijs geen onderwerp van gesprek mag zijn.
Sterker nog: in veel gevallen gaat het om ouders die juist zeer bewust betrokken zijn bij de ontwikkeling van hun kind.
Ouders die tijd, energie en aandacht investeren om onderwijs vorm te geven op een manier waarvan zij geloven dat die beter aansluit bij hun kind.
En uitzonderlijke situaties zullen er altijd zijn.
Maar juist daardoor wordt de verhouding zo opvallend.
Wanneer je de relatief kleine groep vrijwillige thuisonderwijzers afzet tegen de enorme groep kinderen die binnen het reguliere systeem vastloopt, uitvalt of geen volwaardig passend onderwijs ontvangt, dan ontstaat een bijna omgekeerd beeld.
De uitzondering lijkt disproportioneel veel maatschappelijke aandacht te krijgen.
Terwijl de structurele uitval binnen het systeem zó groot is geworden dat het absolute aantal uitzonderingen binnen het reguliere onderwijs waarschijnlijk vele malen groter is dan de gehele groep vrijwillige thuisonderwijzers bij elkaar.
En precies dát maakt de vraag zo interessant:
Kijken we nog werkelijk naar waar het probleem zit?
Of zijn we vooral bezig met het controleren van de kleine groep die zichtbaar buiten de cirkel loopt?
Maar het roept wél de vraag op of we collectief nog kijken naar waar de grootste nood werkelijk zit.
Want ondertussen beschrijven dezelfde rapporten:
- gezinnen die volledig ontregeld raken
- ouders die hun baan moeten opgeven
- kinderen die sociaal geïsoleerd raken
- voortdurende stress en bureaucratische strijd
- verlies van vertrouwen in het systeem
- en kinderen die simpelweg geen volwaardig passend onderwijs ontvangen
En precies daar zie ik opnieuw de metafoor van de muis en de olifant terug.
De zichtbare uitzondering krijgt alle aandacht.
Terwijl de veel grotere systeemvraag nauwelijks opgelost wordt.
Sterker nog:
het rapport noemt thuiszitters letterlijk een symptoom van onderliggende problemen binnen het onderwijs.
Misschien zijn thuiszitters daarmee wel de kanaries in de kolenmijn van een systeem dat steeds meer kinderen niet meer passend kan opvangen.
De paradox van inclusie
Wat deze ontwikkeling misschien nog opvallender maakt, is dat we tegelijkertijd steeds vaker spreken over inclusie, passend onderwijs en ruimte voor diversiteit.
Op papier klinkt dat prachtig.
Iedereen moet mee kunnen doen.
Ieder kind verdient een passende plek.
Verschillen mogen er zijn.
Maar juist daarom voelt de werkelijkheid voor veel ouders soms zo paradoxaal.
Want terwijl inclusie steeds nadrukkelijker als ideaal wordt uitgesproken, groeit tegelijkertijd de groep kinderen die uitvalt, vastloopt of geen volwaardig passend onderwijs ontvangt.
Dat roept een ongemakkelijke vraag op:
Hoe inclusief is een systeem werkelijk wanneer steeds meer kinderen er niet meer in passen?
Misschien is inclusie uiteindelijk niet alleen een kwestie van beleid of goede bedoelingen.
Maar ook van flexibiliteit.
Van ruimte.
Van het werkelijk kunnen omgaan met verschillen in ontwikkeling, energie, prikkelverwerking en levenssituatie.
En misschien wringt het daar steeds vaker.
Wie zijn die thuisonderwijzers eigenlijk?
Wat daarnaast nauwelijks besproken wordt, is uit welke gezinnen de groep thuisonderwijzers eigenlijk bestaat.
Het beeld ontstaat soms alsof het gaat om één afwijkende groep die zich afzet tegen het systeem.
Maar waarschijnlijk is die werkelijkheid veel diverser.
Denk aan:
- internationale gezinnen
- expats
- multiculturele gezinnen
- ouders met verschillende onderwijsvisies
- gezinnen die tijdelijk buiten Nederland verblijven
- kinderen die eerder zijn vastgelopen
- hoogbegaafde kinderen
- of ouders die zoeken naar meer maatwerk
In een steeds internationalere samenleving is het misschien helemaal niet vreemd dat mensen ook anders naar onderwijs gaan kijken.
De vraag is dan misschien niet alleen:
‘Hoe houden we iedereen binnen hetzelfde systeem?’
Maar ook:
‘Hoe flexibel kan een systeem omgaan met verschillende ontwikkelpaden zonder direct spanning of wantrouwen te creëren?’
En misschien raakt dat opnieuw aan dezelfde diepere laag.
Wanneer afwijking direct als risico of probleem wordt gezien, ontstaat al snel de neiging om vooral te controleren wat buiten de cirkel gebeurt.
Terwijl de grotere vraag misschien zou moeten zijn:
Waarom lopen er binnen de cirkel zelf inmiddels zoveel mensen vast?
Persoonlijke ervaring
Misschien raakt dit onderwerp mij ook juist omdat het voor mij geen puur theoretische discussie is.
Binnen ons eigen gezin hebben we ervaring opgedaan met zowel regulier onderwijs als thuisonderwijs.
Juist daardoor zie ik niet alleen de idealen of de theorieën, maar ook de praktijk. De kracht én de beperkingen. De betrokkenheid van ouders. En ook het feit dat veel ouders keuzes maken die voor henzelf lang niet altijd de makkelijkste of meest gunstige route zijn, maar waarvan zij voelen dat die op dat moment wel het beste zijn voor hun kind. Maar ook de spanning die kan ontstaan wanneer een kind niet goed aansluit binnen het bestaande systeem.
En misschien maakt dat mijn blik ook genuanceerder.
Want dit gaat voor mij niet over ‘voor’ of ‘tegen’ regulier onderwijs. En ook niet over ‘voor’ of ‘tegen’ thuisonderwijs.
Het gaat uiteindelijk over een veel fundamentelere vraag:
Hoe zorgen we ervoor dat kinderen werkelijk gezien worden in wie zij zijn, in plaats van hoeveel zij passen binnen een systeem?
En misschien ligt daar ook een belangrijke vraag voor beleidsmakers, onderwijsinstanties en het ministerie van OCW.
Niet alleen:
‘Hoe houden we controle op uitzonderingen?’
Maar misschien vooral:
‘Hoe organiseren we volwaardig passend onderwijs voor ieder kind in een samenleving die steeds diverser, internationaler en complexer wordt?’
Misschien moeten we weer leren kijken naar de olifant
Niet alles hoeft zacht gemaakt te worden.
Niet alles hoeft conflictvermijdend te zijn.
Soms is confrontatie nodig.
Maar confrontatie zonder richting wordt uiteindelijk vooral ruis.
Misschien moeten we onszelf vaker afvragen:
- Welk probleem proberen we werkelijk op te lossen?
- Wat zit er onder de emotie?
- Wie profiteert van voortdurende polarisatie?
- Waarom voelen zoveel mensen zich voortdurend getriggerd?
- En wat gebeurt er met een samenleving die continu ‘aan’ staat?
Want zolang we blijven focussen op de muis,
blijft de olifant gewoon staan.
Midden in de kamer.
Misschien zit onder veel maatschappelijke onrust uiteindelijk ook iets heel menselijks:
We vullen verhalen voor elkaar in.
We reageren op beelden.
We trekken conclusies zonder het volledige verhaal te kennen.
En misschien zouden de oude Tolteekse wijsheden vandaag actueler zijn dan ooit:
- doe geen aannames,
- wees zorgvuldig met woorden,
- en probeer eerst werkelijk te begrijpen voordat je veroordeelt.
Want zodra beeldvorming sterker wordt dan nieuwsgierigheid, ontstaat polarisatie bijna vanzelf.
#woeaah
#bewustwording
#groepsdynamiek
#polarisatie
#maatschappij
#verbinding
#energie

-
Opeens wordt gezondheid niet meer vanzelfsprekend
Opeens wordt gezondheid niet meer vanzelfsprekend Toen ik jonger was, dacht ik nauwelijks na over…
-
Wie ben ik zonder mijn prestaties?
Wie ben ik zonder mijn prestaties? Jarenlang was het antwoord eenvoudig. Ik was mijn functie.…
-
Totdat je zelf aan de andere kant staat
Totdat je zelf aan de andere kant staat Er was een tijd dat ik dacht:…

Geef een reactie